Historiek

 

Gentenaars Stropdragers

In de 16de eeuw is Gent niet langer het grote en machtige industriecentrum van weleer.
Van de bruisende middeleeuwse draperienijverheid en lakenhandel blijft weinig over en de stad kent economisch donkere tijden. Het economisch zwaartepunt van de stad verschuift naar het omliggende platteland; niet in het minst door de afwezigheid aldaar van de talrijke stedelijke corporatieve voorschriften, als door de lagere lonen. In de stad heerst een economische recessie en in 1534 wordt zelfs een armenkamer ingericht.
 
Wanneer de stad in 1537 een bijkomende keizerlijke oorlogsbede wordt opgelegd, komt het vuur aan de lont… en een zoveelste Gentse opstand is een feit. De stad weigert te betalen, en na tal van vruchteloze juridische procedures komt het tot een gewapende rebellie. 

Getergd door deze Gentse halsstarrigheid besluit Karel V persoonlijk orde op zaken te stellen in zijn geboortestad. Op 14 februari 1540 maakt de keizer zijn intrede in een bange stad, gevolgd door talloze prominenten en een leger van meer dan 5000 soldaten. Gent houdt het hart vast…

De keizer en zijn gevolg nemen hun intrek in het Prinsenhof. Drie lange dagen blijft het stil. Op 17 februari 1540 wordt een arrestatiebevel uitgevaardigd tegen de 25 voornaamste volksmenners; zij bekopen hun aandeel in de opstand met de dood.

Met enig gevoel voor dramatiek, wordt de voltallige stadsmagistratuur bij de keizer ontboden op 24 februari 1540; de dag van zijn veertigste jaardag en dit op zijn geboorteplaats. De magistratuur krijgt er welgeteld tien dagen de tijd om haar verdediging voor te bereiden.

Op 6 maart 1540 verschijnt zij opnieuw voor de keizer, en biedt haar verontschuldigingen aan; zij het niet dat ze zo onhandig is steeds opnieuw te verwijzen naar de aloude heilige stadsprivileges, alsook naar de slechte regering welke zij verantwoordelijk acht voor wat was gebeurd. De keizer is 'not amused' en belooft een voorbeeldige straf die de stad nog lang zou heugen...

Het keizerlijk vonnis van 29 april 1540, de zogenaamde Karolijnse Concessie, dat het lot van de stad beslecht, herleidt Gent tot een ordinaire provinciestad. De stad wordt schuldig bevonden aan trouweloosheid, opruiing, muiterij, ongehoorzaamheid, verdragbreuk en majesteitsschennis.

Ze verliest al haar vrijheden en privileges; de stadscharters moeten worden ingeleverd; alle goederen van de stad worden geconfisqueerd; de alarmklok 'Klokke Roeland' dient uit het belfort gehaald en de stad moet een enorme boete betalen. De grootse Sint-Baafsabdij moet  plaats ruimen voor een Spaanse dwangburcht, en ook enkele stadsversterkingen en stadspoorten moeten eraan geloven.

De sententie voorziet ook in een verregaande vernedering voor de stad en haar inwoners.
Op 3 mei 1540 vertrekt een stoet Gentenaars vanaf het stadhuis richting Prinsenhof.
De schepenen, stadssecretarissen en alle stadsambtenaren, 30 notabele poorters en de ambachtsdekens lopen blootsvoets en gekleed in zwarte tabbaard.
Dan volgen 318 leden van de kleine ambachtsgilden en 50 wevers. De stoet wordt gesloten door 50 'creesers' (krijsers), gekleed in witte tabbaard en de strop om de hals, als teken dat zij de galg hebben verdiend. In het Prinsenhof dienen zij geknield en met luide stem genade af te smeken aan de vorst.

Sinds die dag tekent de roepnaam 'stropdrager' elke inwoner van Gent.